Dames en Heren,

Hartelijk dank voor de vriendelijke woorden.

En ja, het is er dan toch van gekomen.

Vorig jaar was ik ziek, gekweld door een dwaze griep en moest ik verstek laten gaan.

U moest in aller ijl zoeken naar een vervanger; en wat voor een vervanger kreeg u, Elsbeth Etty, een geweldig mens, een harstochtelijk critica, scherp essayiste, geestig, zeer geleerd –ze is hoogleraar aan de VU- en schrijver van de alom geprezen biografie van Henriette Roland Holst.

Met zo’n vervanger, heb je de oficiëel aangekondigde inleider niet meer nodig, maar ja, de kwelgeesten zitten onder ons, u zult het met mij moeten doen.

Ik voel me dan ook als een necroloog tegenover een biograaf, de vluchtige journalist tegenover de solide wetenschapper.

Het stiefkind.

Ja,Ik ben necroloog,

Iedere week komt mijn stukje, mijn necro, in de krant en dan denk ik, droom ik: zou er een biografie in deze dode zitten?

Want ik wil doen alsof mijn necro een eerste aanzet, een eerste snelle schets, is van een ware biografie die eens komen moet.

De necrologie suggereert, de biografie onderzoekt, verdiept, legt verbanden, plaatst de beschrevene in zijn tijd.

Dat kan ik niet met mijn 550 woorden per week.

Toch voel ik mij aan de biograaf verwant; en ben daarom zo jaloers op de ware biograaf, en ik troost me met de gedachte dat schrijvers als Graham Greene, Evelyn Waugh, Somerset Maugham, J B Priestley en de historicus A J P Taylor,  eens de fameuze, maar anonieme necrologen zijn geweest van de London Times. 

Zij hebben de Britse obituary, the obit, gemaakt tot een instituut, een geheel eigen genre, dat bij de krant hoort als het weerbericht en het kruiswoordraadsel.

En wellicht kent u het anonime gedicht, I’m very well. Thank you’ van een oude man aan de poort van het knkelehuis.

Het gedicht eindigt met de woorden:

I get up each morning and dust off my wts
And pick up the paper and read the obits
If my name is still missing I know I’m not dead
So I finish my breakfast and go back to bed.

En er is het legendarische verhaal van de oude lord die zijn naam wel zag staan en verschrikt The Times belde.

De redacteur reageerde beleefd met: ‘My Lord, als ik u vragen mag van waar belt U? 

In Engeland en Amerika worden de necrologieën uit de krant gebundeld en in boekvorm uitgegeven. En ik kan u verzekeren het is heerlijke verrukkelijke vakantielectuur.

In de New York Times Book of obituaries, helaas out of print, las ik een necro die begon met de volgende zin: ‘Helen Bunce, die zoveel wollen wanten breide dat ze niet wist wat ze moest doen als ze geen wollen wanten breien kon, stierf in een verzorgingshuis in Watertown, New York, waar zij bekenstond als het wollen wantenwijfje. Zij was 86 en breide wanten tot enkele dagen voor haar dood.’

De obit in de vorm van het ‘light verse’; het light verse dat in de laat 19de en vroeg 20ste eeuw zo geliefd was.

En in zijn recensie van deze bundel schreef de necroloog Anthony Lane in The New Yorker, ‘een necrologie gespeend van humor is het lezen niet waard’.

De titel van de bundel necrologieën over vrouwen, die de Londense Daily Telegraph uitgaf is ‘Chin up, girls.’

De Daily Telegraph brengt de necrologie als entertainment. 

En dat is vermoedelijk het grote verschil tussen de Angelsaksische en continentale necrologie: Humor, de necrologie gaat niet over de dood, hij gaat over het leven, de necrologie is de viering van het leven.

Niet lang geleden stierf in Engeland een ma Flodderachtige actrice, ze was dik en hield van lekker eten. De Daily Telegraph, toch een serieuze kwaliteitskrant, eindigde de necrologie over ma Flodder met de volgende zin: ‘Zij klaagde nooit, ook al zat zij, zoals soms, klem in het bad.’

Wie dat ’s ochtends aan het ontbijt leest, krijgt goede zin, is Ma Flodder dankbaar, maar zo zullen wij Nelly Frijda niet gauw in de Volkskrant of NRC uitluiden.

En wat te denken van de obit in de Economist, het lijfblad van ’s werelds topeconomen en politici, die over mevrouw Rothschild, de meest gezaghebbende kenner van vlooien en luizen schreef: ‘Zij was een overtuigd atheist, maar toen zij zag dat ook de vlo een penis had heeft ze even geaarzeld en gedacht dat er misschien toch een schepper was.’

Als necroloog kan ik u verzekeren: a cold body is hot stuff.

De necrologie krijgt in de media de laatste jaren meer aandacht, evenals de biografie.

De biografie beleeft een bloeitijd.

Sinds kort bestaat aan de Rijksuniversiteit van Groningen het ‘Biografie Instituut’ onder leiding van de hoogleraar en biograaf, Hans Renders.

Renders gelooft dat Nederland met een grote inhaalslag bezig is. 

Dat is wel eens anders geweest.

Toen ik in de jaren zestig als correspondent naar Londen ging, viel het ogenblikkelijk op. De boekwinkels hadden hele muren vol, uitsluitend gewijd aan biografieën.

Biografen stonden en staan er hoog aangeschreven.

Merkwaardig, dat verschil als je uit Nederland kwam.

Zou het te maken hebben met de calvinistische achtergrond: geen heiligenverering, geen idolen.

We zijn, misschien waren, niet zo geneigd om mensen op een voetstuk te zetten: doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. Herman Pleij heeft er al zo vaak op gewezen, wij hebben geen helden.

En als we er een hebben, zoals Michiel de Ruyter dan is het een goede brave huisvader, geen Nelson met zijn liefje Lady Hamilton.

Geen eccentriekelingen als in Engeland.

En in de polder waar iedereen met iedereen moet samen werken bestaat de angst onwelvoegelijk te zijn. Wroeten in andermans leven is eigenlijk niet netjes. Het privé leven gaat een ander niets aan, de vuile was hang je niet buiten. Voor onthullingen in privésfeer kwamen in Nederland bladen als Story en Privé. In de Angelsaksische wereld is dat heel anders.

Ik herinner me nog hoe geshockeerd ik was toen nota bene The Times dat keurige blad, met dikke letters op de voorpagina onthulde dat een minister een kind had verwekt bij zijn secretaresse.

Het BBC-Journaal kon dagen over niets anders reppen.

Het verhaal van de minister –de lieveling van Margaret Thatcher die meteen moest aftreden werd één groot zedenspel, de nationale graadmeter van de heersende moraal.

Fascinerend vond ik dat.

Renders heeft er op gewezen dat het gebrek aan belangstelling onder Nederlandse historici voor biografen te maken had met gebrek aan inzicht dat mensen –een minister, een dichter, een fabrikant - ook altijd een bepaalde tijd vertegenwoordigen. In de biografie zei hij: gaat het niet alleen om de persoon, maar om de context, de tijd waarin hij leeft.

Hij geeft Etty’s biografie van Henriette Roland Holst als voorbeeld: Etty vertelt het verhaal achter en om het leven van Roland Holst, de revolutionair, dichteres, vriendin van Rosa Luxemburg, goede kennis van Lenin. Een verhaal dat niet verteld had kunnen worden in een andere vorm.

Een biografie moet iets algemeens ‘vermenselijken’.

Het is niet de bedoeling dat de biograaf alleen de doopceel van iemand licht. Hij moet de persoon plaatsen in zijn tijd, zijn passies, drijfveren ontdekken.

En een visie geven.

Hoe scherper de visie hoe meer ruimte er ontstaat voor een tweede, derde biografie, zodat uiteindelijk de waarheid naar boven komt, een waarheid die ook maar tijdelijk is, want ook de biograaf is kind van zijn tijd en let op andere dingen dan zijn ouders. 

Interessant vond ik dat Henk te Velde, de Leidse hoogleraar in zijn recensie van Anet Bleich’s geprezen biografie van Joop den Uyl schreef dat de weg geopend was voor verdere studie, inzichten en benadering. Ik denk bijvoorbeeld aan Den Uyl’s gereformeerde achtergrond die –meen ik, sterker bepalend is geweest dan Bleich, komend uit een  joods links intellectueel nest laat zien.

De nieuwe belangstelling voor de biografie heeft te maken met de individualisering, de aandacht voor de persoon, waar Nederandse politici nog steeds mee worstelen. Zij blijven herhalen: het gaat niet om de poppetjes, het gaat om de inhoud.

Alsof dat te scheiden is; alsof een minister, een premier, zeker in een tijdperk van visionalisering en tv-beelden als het onze, niet personificatie is van de abstracte inhoud. 

Je kiest niet voor partijprogramma’s, je kiest voor Obama,  Clinon of McCain.

De zeer persoonlijke aanvallen op elkaar, het gooien van modder, -op zich een Amerikaanse traditie-  is bedoeld om te zien of de poppetjes inhoud hebben. Of zij: practice what they preach.

Maar goed, natuurlijk, er zijn verschillende opvattingen en tradities. Henk te Velde, ik noemde hem al, Leidse historicus en opvolger van Jan Bank, vergeleek een paar jaar geleden de geschiedsbeschrijving van de sociaal democraten in Engeland en in Duitsland.

Ik ga wat snel door de bocht, maar de Engelse leiders werden door hun historici beschreven als de belichaming van wat de Labour Party bezielde. Om de partij te begrijpen moest je de leider bestuderen, een goed voorbeeld is Tony Blair. Hoe dacht hij? Met een leerboek over de Britse sociaal democratie kwam je niet ver.  

Terwijl in Duitsland de persoon van de leiders, zo leek het wel, ondergeschikt bleef aan de idealen van de partij. 

Terug naar het verhaal.

En natuurlijk, de biografie is zo oud als de weg naar Rome. Plutarchus schreef al in de Eerste Euw na Cristus verhalen over het leven van Griekse en Romeinse grootheden. En de meesten van u zullen op vakantie in Italië wel eens Vasari’s levensverhalen van zijn tijdgenoten als Michelangelo, Raphael en andere Renaisance kunstenaars gelezen hebben. Op mij hebben die verhalen diepe indruk gemaakt, Michelangelo die zich nooit waste en toen hij stierf moesten ze zijn laars van zijn voeten afsnijden omdat leer en vel in elkaar vergroeid waren.

Ook in Nederland hebben wij heel veel biografieën gehad. En Michiel de Ruyter, ik noemde hem al, is vermoedelijk onze grootste zeeheld omdat er meteen na zijn dood zo’n grote gedocumenteerde biografie over hem verscheen, vol verhalen, inzichten en avonturen die we nog allemaal kennen.

Deze biografie door dominee Gerard Brandt uit 1687- elf jaar na de Ruyters dood verschenen, is vol bewondering , maar is  het echt waar dat de kleine Michiel al als klein jongetje de torenspits van Vlissingen beklom?

Al meteen vanaf de zeventiende eeuw toen de kranten en tijdschriften ontstonden was er veel aandacht voor wat wij nu de biografie zouden noemen.

En u begrijpt dat ik als necroloog genoot toen ik las dat de biograaf Joseph Addison in 1715 klaagde dat zijn collega-biografen zo ongeduldig zaten te wachten op de dood van beroemde tijdgenoten. Pas dan konden ze hun slag slaan, glorieren over de rug van anderen.

Kees Fens was onlangs in een interview iets brutaler. Hij zei: Veronderstel, de krant belt met de boodschap dat de een of andere schrijver dood is. Dan moet ik in een paar uur een stuk hebben, het complete verhaal. Schitterend vind ik dat, schitterend het kan niet vaak genoeg gevraagd worden Er sterven er helaas te weinig.’

Pas als iemand dood is, zo is nog altijd de redenatie, als iemands leven is afgerond kun je dat leven pas echt overzien en als geheel in het licht zetten.

En overlijden brengt ook actualiteitswaarde.

In de achttiende werden biografieën van misdadigers populair en al meteen na executie op de markt of galgenveld verkocht. Renders ontdekte dat de biografie van de Amsterdamse misdadiger Jaco –compleet met verslag van de executie en van zijn laatste woorden -- al een jaar op de markt was, voor Jaco was overleden. Hij was in hoger beroep gegaan en dat was de biograaf ontgaan.

Toch kon er ook een andere actualiteit zijn dan de dood om een biografie te schrijven.

In de achttiende en negentiende eeuw waren biografische tijdschriften heel populair. Een aflevering van zo’n tijdschrift werd geheel aan één persoon gewijd.

In Nederland kregen we –wat laat-  in 1870 het tijdschrift ‘Mannen van Betekenis in onze dagen’, dat zijn eerste aflevering wijdde aan Bismarck, niet omdat hij zo’n bijzonder mens was, maar omdat hij zo’n bijzondere rol speelde in de zojuist begonnen Frans Duitse oorlog, 1870.

Het tijdschrift werd later omgedoopt tot ‘Mannen en vrouwen van Betekenis in onze tijd’ en bestond tot 1921.

Zoals u ziet waren de onderwerpen vaak nog in leven en was het verhaal, de biografie, in die tijdschriften ook niet automatisch een jubelend eerbetoon.

De persoon werd kritisch gewikt en gewogen.

Het schijnt dat Samuel Johnson, beter bekend als Dr Johnson, de lexicograaf, een nieuw soort biografie schreef.

Hij bestudeerde van bekende kunstenaars, schrijvers en dichters niet alleen hun werk en de officiële bronnen, maar ook hun brieven, intieme dagboeken en hij ‘interviewde’, ging praten met, mensen die hem gekend hadden. Hij ging te werk als een journalist.

Zo bleef van het mooie beeld van een bekende, jong gestorven dichter en acteur, Richard Savage, heel weinig over. Johnson toonde aan de hand van gesprekken met vrienden en bekenden, een nogal nare, paranoide figuur.

Voor zijn gedichten had Johnson weinig belangstelling.

En dat was nieuw.

Het lijkt vanzelfsprekend, maar mag je dat doen? De discussie is nog steeds niet uitgewoed.

Wordt door onthullingen van zijn leven niet de kunstenaar vermoord, wordt zijn werk, zijn oevre niet vernietigd?

Elsbeth Etty zegt dat met iemands dood zijn privacy verdwijnt. De biograaf mag zich niet te goed voelen om door het sleutelgat te turen. Een biografie is alleen maar interessant, zegt zij, als zijn of haar persoonlijkheid integraal aan bod komt. Wanneer zogenaamde trivialiteiten, zoals liefdesperikelen, psychisch of lichamelijk lijden ontbreken, is de biografie mislukt. Een biograaf die voor dergelijke zaken geen belangstelling heeft, interesseert zich niet voor de beschreven persoon en kan beter iets anders gaan doen: als tekstverklaring, literatuurgeschiedenis.

Etty verdient, meen ik, alle steun, maar niet iedereen is het hier mee eens.

Kunnen wij een gedicht alleen maar goed begrijpen als we weten of dichter op de dag van het schrijven zijn kind heeft verloren of is vreemd gegaan?

Is Jan Campert de dichter van de Achttien doden, van zijn voetstuk gevallen nu we in de biografie ‘wie weet slaag ik in de dood’ lezen dat hij wegens verraad in het Neuengamme  door zijn medegevangenen is vermoord. En dat is nog niet eens bewezen, in een rechtzaak maakten de beweringen geen schijn van kans aanvaard te worden. Had de biograaf, Hans Renders, het voorval, het gerucht, de roddel, mogen melden? Ik denk van wel.  

In de prachtige roman Exit Ghost van Philip Roth, zoals de meesten van u weten, komt een biograaf voor.

De jonge biograaf vraagt aan de hoofdpersoon in het boek, Nathan Zuckerman, veelal beschouwd als de alter ego van Roth zelf, of hij de waarheid van het geheim kan bevestigen van Zuckermans overleden vriend en schrijver, Lonoff. Het gaat om een incestzaak en –pikant- Lonoff zelf heeft in een roman over incest gerschreven.

De biograaf zou aan de hand van het geheim, de incest, het werk van de langzamerhand vergeten schrijver willen verklaren. En in de ogen van Zuckerman willen ontmaskeren, scandaliseren en trivialiseren. Zuckerman wordt razend en zegt: ‘Dus jij gaat hem als schrijver rehabiliteren door hem als mens in diskrediet te brengen.’

Zuckerman, of mogen we zeggen Roth zelf,  worstelt met waarheid, fictie, schoonheid en vulgariteit.

Hij ziet aan het eind van zijn eigen leven de verloedering toeslaan, de schoonheid verdwijnt en hij loopt rond in een pisluier.

En komt de biograaf als aasgier, als lijkenpikker die het mooie, het geniale vernietigt.

Maar bij Roth is niets simpel en niets eenvoudig als het lijkt.

Die Lonoff namelijk lijkt sprekend Philip Roths eigen vriend en schrijver, Bernard Malamud. Dus met een dubbele bodem haalt Philip Roth in zijn boek het geheim, de incest, van zijn eigen dierbare vriend en literaire held nog eens op.

Dat wordt boeiend als, na de dood van Roth, de biografieën over hem zullen uitkomen. Waarom schreef hij zelf over het geheim van zijn vriend?

In zijn veroordeling van de biograaf is Philip Roth in goed gezelschap.

Niemand minder dan van Nabokov, de schrijver van veel meer dan Lolita.

Nabokov, die in het openbaar geen woord uit kon brengen, geen interview kon geven en slechts op schrift met studenten, journalisten en balangstellenden kon communiceren, schreef: ‘I hate tampering with the precious lives of great writers and I hate Tom-peeping over the fence of those lives – I hate the vulgarity of ‘human interest’, I hate the rustle of skirts and giggles in the corridors of time- and no biographer will ever catch a glimpse of my private life.’

Van een biograaf accepteert hij alleen: plain facts, no symbol searching, no jumping at attractive but preposterous conclusions, no Marxist Bunkum, no Freudian rot.’

Nabokov hield evenmin als Roth van biografen, maar zelf gebruikte hij in zijn colleges over Russische literatuur graag biografen en hij vond het uitstekend dat in een geschreven interview hij werd aangekondigd als de grote Tolstoi biograaf.

Dat brengt mij naar de pas verschenen biografie van de Nobelwinnaar V S Naipaul. ‘De wereld is zo als hij is’, door Patrick French.

Het is een geautoriseerde biografie en Naipaul heeft gezegd hem niet gelezen te hebben.

Naipaul, de briljante, vlijmscherpe schrijver, komt te voorschijn als een nare, onbetrouwbare egotripper. Hij heeft zijn eerste vrouw Pat vertrapt en zoals hij zelf zegt misschien wel de dood in gedreven. Met zijn maitresse –die hij twintig jaar had- is hij ook niet charmant omgegaan, zo min als met zijn vrienden en familie. 

Heeft deze biografie meer inzicht gegeven? Het werk van de Nobelprijswinnaar beschadigd? Is er een juiste evenwicht tussen het werk,- de boeken, reisverhalen, beschrijvingen – en de persoon, zoals vereist wordt van een goede biografie. 

De meningen lopen uit een, de discussie is fascinerend, heel mooi vond ik de reactie van Bas Heine: De biografie doet waartoe Naipaul zelf nooit in staat is geweest: Naar zchzelf kijken met de blik van de buitenstaander. Dat levert het beeld op van een man die verteerd door gevoelens van angst en onzekereheid, maar daar geen uiting aan kan geven.

Het onthutsende boek eindigt met het verstrooien van de as van Naipauls vrouw. Hij kan het niet en laat het zijn nieuwe vrouw doen.

Er zullen nieuwe Naipaulbiografieën verschijnen, nieuwe bronnen worden blootgelegd en andere verbanden worden gelegd. Maar moeten we nog wachten tot zijn dood, want dan gelden, volgens Etty, de wetten van de privacy niet meer.

Ik betwijfel het

Voor wie Mei 68 nog niet heeft herdacht –en de meesten van ons kunnen er iets over vertellen is er de nieuwe biografie  over het vermaarde koppel Jean Paul Sartre en Simone De Beauvoir, prachtige vakantielectuur voor wie naar Frankrijk gaat. ‘A Dangerous Liaison’ door Carole Seymour-Jones. Uitgave Century.

Ik heb besteld en neem het mee reis.

De critici zijn zeer enthousiast. De ontwikkelng van hun schrijverschap wordt knap, helder en voortreffelijk gedocumenteerd belicht.

Seymour Jones beschrijft hun moeilijke jeugd, studententijd aan de Sorbonne, haar weigering om hem te trouwen en hun moeizame liefde en vriendschap. Als docente verleidde zij meisjes, gaf ze door aan Sartre en The Guardian zegt dat je als lezer bijna niet kan geloven hoe die twee hun studenten verleiden, van minnaars wisselen, veroverde liefjes hard aan de kant zetten en zich dan met prostituees, tieners, bewonderaars in bed vermaken; en zo nu en dan ook nog met elkaar.

En voorbeeldig hebben de idolen van 68 beslist niet altijd gedragen. Le deuxieme sex van de Beauvoir blijft geweldig, maar haar memoires zitten vol leugens en bedrog.

Boeiend de behandeling van memoires in biografieën, Etty bijvoorbeeld gebruikte Roland Holsts memoires om te zien hoe zij gebeurtemnissen zag en beleefde, ook al waren ze soms feitelijk onjuist.

Goed, terug naar Sartre en De Beauvoir. The Guardian zegt dat je ondanks het wetenschappelijk onderzoek van hun beider oevre en de aandacht voor de politieke en filosofische stromingen A Dangerous Liaison’ met rode oortjes leest als een soap opera.  Verbluffend, aldus the Guardian.

Ik ben heel benieuwd.

De biografie ontwikkelt zich  zich in alle richtingen en stijlen. De Amerikanen spreken over High en low biography, zoals ze over high en low culture spreken. Er zijn steeds meer low biographies over sporthelden, tv sterren, Andre Hazes en Borsato. Maar over hen kan best een prachtige high culture biografie geschreven worden, doorkneed, wetenschappelijk verantwoord en het liefs na de dood. Wat te denken van Toon Hermans, waar wij ons als stuent voor schaamden?

Maar beroend hoeft de geportretteerde niet altijd te zijn.

De historicus Sebastian Haffner zei: ‘Wie iets van een bepaalde tijd wil lezen, moet biografieën lezen, niet van staatslieden; maar de biografieen van de veel te sporadisch geschreven biografieën van onbekende burgers’.

Dit citaat gebruikt Annejet van der Zijl in haar prachtige Sunny Boy, dat je een biografische roman zou kunnen noemen. Zij is nu bezig met een biografie, boek over

Prins Bernhard. 

Ik heb genoten van de kleine Keizer, door Martin Bril die na het lezen van honderden Napoleon biografieën –lijkt me overdreven-zijn eigen passie voor Napoleon uitleeft in een heerlijke biografie –nou ja biografie;- schreef; met prachtige observaties en interpretaties, vergelijkingen met Elvis Prsley, details en onverwoestbare mythes die hij vrolijk doorprikt. Napoleon zou nooit naar Josephine geschreven hebben: ‘Ik kom er aan, was je niet.’ Wel vertelt Bril nauwkeurig wat voor slechte, rotte tanden zij had.

Vooral ook boeiend zijn Napoleons reizen door Nederland, zijn Hollands liefje en Dirk van Hogendorp die volgens Napoleons testament 10 000 gouden dukaten kreeg, helaas Napoleon had geen cent meer toen hij op St Helena de adem uitblies.

Het boeiende van de biografie-hausse is dat de biografie -ook in Nederland uitgroeit tot een sterk en eigen genre. Dat, zeer voorbeeldig hier bij Hein van Kemenade in Breda ook zijn afdelingen krijgt. Het lijkt er op dat de biografie zelfstandig is geworden zoals de fotografie die ook lang als tweederangs werd behandeld. En zeker niet als kunst.

Boeiend is in deze de ontwikkeling van de politieke biolgie. Als de personalisering van de politiek zich voortzet, dan zal  het schrijven over politiek ook steeds meer samenvallen met het biograferen van politici, zegt Gerrtit Voerman, hood documentatiecentrum Politieke Partijen aan de Rijksuniversiteit Groningen. Imago, eerlijkheid en waarachtigheid worden belangrijker en waar kan dat beter in uiting komen dan in de biografie.

Het is voer voor psycholgen, politicologen en historici. Maar ik vind het jammer dat de juist verschenen biografie over Dries van Agt gerecenseerd in de NRC gerecenseerd is door een oud politiek commentator en in de Volkskrant door een historicus. Zij houden zich bezig met de politiek en richten zich niet op de vraag: Wie is Van Agt. Vanwaar zijn passies? Zijn handelingen? Gaat hij echt leven? Zoals in een film, een roman en –zou moeten- een biografie.

Dat wil ik van de biografie-recensent weten. Jan Blokker doet dat, kan daar heel hard in zijn.

Ik wens u een heel goede vakantie, al dan niet op de racefiets van Van Agt.

En als waarschuwing: biografieën hebben de neiging dik, heel dik te zijn. Zij wegen meestal meer dan Elsbeth Etty -die al haar vakantieboeken weegt - in haar rugzak dragen kan.

En mocht u voor mijn necrologierubriek nog een mooie, goede dode weten, ik hou me aanbevolen.